Evaluatie Week 7 – Het einddebat – Afsluiting van de cursus
Einddebat in combinatie met werkcollege
Op dinsdag werd het einddebat uitgevoerd. Een leuk en interessant evenement. Mijn rol was in de jury/ het publiek te zitten. We moesten kritisch naar de debatten kijken en na het afronden van het eerste uur zeggen wat we goed en minder goed vonden. Dit om handvaten te geven aan de blijvende groepen waar ze nog meer aandacht aan moesten besteden. In het tweede uur werden de halve finale en de finale georganiseerd. Uiteindelijk heeft de groep Knockout gewonnen tegen de Girls Strike Back.
Wat goed ging:
· Brongebruik
· Argumentatielijn
· Slotzinnen
· Duidelijk gesproken
· Openingsargumentatie
· Afbakening van het onderwerp
· Het definiëren van gebruikte termen
· Gebruik van humor
· Publiek is enthousiast
· Dynamische en felle debatten
Wat minder goed ging:
· De hele debatgroep de kans geven om te spreken
· Meer metaposities innemen
· Elkaar laten uitpraten (voorzitters ingrijpen)
· De rol van de voorzitters kan sterker, ingrijpen wanneer nodig
· Meer inhaken op elkaars argumenten
· Meer overtuigende en sprekende voorbeelden gebruiken
· Niet alleen over de stelling zelf discussiëren
·
Evaluatie van de debatten
Wat er in algemeen opviel: We zagen heel duidelijk, dat de groepen van de andere docent een heel andere manier van debatteren hadden. Daar schrokken ze even van. Thomas Poell heeft opgemerkt, dat onze groepen die gingen debatteren echt vooruit zijn gegaan. Heel positief. We zagen, dat er veel mensen op mening stemden in plaats van op de echte winnaar. Dat is natuurlijk in het echte leven ook zo. Interessant, maar tot nu toe is het altijd zo geweest, dat een groep uit de grootste werkgroep het debat wint. Dit komt vooral omdat je in met een grotere groep betere debatten kan voeren en oefenen. Mensen uit de andere groep van Thomas gingen ook vaak op de groepen van onze werkgroep stemmen. Dit komt, volgens Thomas, door dezelfde manier van debatteren. Onze groepen waren in het algemeen goed voorbereid, maar luisterden niet altijd goed naar de andere groep. Ze hielden zich erg bezig met hun eigen argumentatie. Het gebruik maken van bronnen ging uitstekend. Echter, na een punt werden er veel te veel bronnen genoemd en begon het publiek verveeld te reageren. Samenvattingen ontbraken helaas. Hiermee kan je ook laten zien, dat je geluisterd hebt naar de anderen. Het innemen van de metapositie had beter/vaker gekund. We misten ook de sprekende voorbeelden. In het algemeen was de rolverdeling niet zo goed, er gingen steeds 2-3 personen met elkaar praten. Echter, in onze groepen ging het wel goed. We hebben kunnen zien, dat humor een echte grote rol kan spelen. Zeker in grotere debatten. Op dinsdag ging het gebruik van humor heel goed. Nuancering had ook beter gekund, het is namelijk heel belangrijk in het debat dat je jouw eigen positie duidelijk definieert. Stokjes doorgeven, elkaar aanvullen had in het algemeen ook wat beter gekund. We zagen ook hoe kleding een grote rol speelt: doordat de groep Poell’s Posen in nette kleding zijn verschenen, voelden andere groepen zich op de achtergrond gedrongen.
Deze cursus in de toekomst:
- Gastlezers beter informeren over wat er van hun verwacht wordt
- Betere teksten selecteren die beter in verband kunnen woorden gebracht met de gascolleges
- Mensen die niet zo goed kunnen debatteren (zoals ik) een korte inleiding/argumentatie van de stellingen laten verwoorden.
- Voorzitters meer aan het woord laten komen
- Jury opstellen uit oud- studenten om het einddebat te kunnen beoordelen
Enkele kritiekpunten:
Met deze cursus wou Thomas Poell aan ons laten zien hoe we vanuit bepaalde posities bepaalde argumentatie te kunnen ontwikkelen. Hermine formuleerde de vraag: Wat is het doel van een debat? De winst of het verkrijgen van een dieper inzicht? Volgens Thomas Poell ging het in deze werkgroep meer om het winnen, in de andere werkgroep van hem meer om een beter inzicht te krijgen. Een ander kritiekpunt is, dat het innemen van rollen tot een beperkte mening leidt. Daar zijn we het allemaal mee eens. Marnix stelt, dat er volgens hem meer een soort ja/nee vragen werden gesteld met de stellingen van deze cursus. Daar is Thomas Poell het niet helemaal mee eens, maar inderdaad, het formuleren van betere vragen in de toekomst kan geen kwaad.
Obama versus McCain
Algemeen kunnen de volgende dingen gezegd worden over die twee politici: ze maken uitstekend gebruik van goede slotzinnen en ze vatten alles heel goed samen. Deze samenvattingen zijn heel neutraal. Ze gaan eerst karakteriseren, dan gaan ze hun eigen punt naar voren brengen. Beurtelings komen er heel belangrijke dingen voor. Ze nemen een bepaalde positie in en ze praten langs elkaar heen. Wat ze zeggen is erg doelgroep gericht. Interessant hoe ze vooral de ander aanvallen in plaats van hun eigen standpunten te verdedigen.
Obama kijkt rond, kijkt naar de voorzitter, kijkt naar McCain. Hij maakt goed gebruik van handgebaren. Hij zegt nooit ‘uh’, als hij iets niet meteen kan zeggen, dan neemt hij een paar seconden pauze. Hij praat niet over zichzelf, maar gaat dieper op historische vergelijkingen in. Hij praat over ‘values’ en ‘morals’; twee belangrijke dingen, die het Amerikaanse volk kan winnen als ze op hem stemmen. Hij richt zich op de middenklasse Amerikanen, en spreekt hen aan. Tijdens het debat neemt hij een aantal keren de metapositie in en gaat er dieper op in, waardoor hij zijn eigen positie kan versterken. In het tweede filmpje over het debat tussen Obama en McCain laat Obama zien dat hij ook humor in het debat kan brengen (‘ bomb-bomb-bomb-Iran’). Hij zet goed neer wat de ander heeft gezegd waardoor hij laat zien dat hij goed heeft geluisterd.
McCain – vergeleken met Obama – kijkt niet rond, hij kijkt amper naar Obama, maar hij kijkt de hele tijd naar de voorzitter. Hij maakt veel gebruik van ‘I’ en hij praat veel over (zijn) verleden.
Als we die debatten willen vergelijken met het debat tussen Nixon en Kennedy op de televisie, dan zien we meteen duidelijk hoe de opkomst van de televisie een enorme impact heeft gehad op de manier van debat voeren. Bijvoorbeeld hoe politici mensen vroeger aanspraken. Het harde handgebaar heb je niet meer nodig, omdat je jou publiek nu ook via televisie, internet etc. kan bereiken. De manier van debatteren was vroeger ook helemaal anders: we kunnen zeggen dat het een spreekbeurtachtig gebeuren was. Kennedy zit met een mooie houding op de stoel, maar Nixon heeft waarschijnlijk een zitcursus nodig: zijn kromme lichaamshouding is niet erg overtuigend.
Reflectie op mijn rol in de cursus
Toen ik me in ging schrijven voor deze cursus, verwachtte ik iets anders van de inhoud. Ik dacht, dat we weer theorieën van verschillende filosofen gingen leren over hoe er tegenwoordig over nieuwe media werd gedebatteerd vanuit diverse perspectieven. Dat dit vak een debat voor studenten over nieuwe media zou zijn, met actieve participatie….dat dacht ik absoluut niet. Van actieve participatie is er geen sprake geweest in mijn geval. Ik kan mezelf niet snel genoeg uitdrukken, en met woorden kan ik ook niemand afmaken (op een andere manier heb ik nog wel kans). Als het in mijn geval om participatie gaat, dan betreft dit meer achtergrondwerk. Ik help heel graag mee met een argumentatielijn opstellen, bronnen zoeken, ideeën uitwerken, schrijven of creatieve dingen doen. Maar het praten gaat heel moeilijk. In het algemeen kan ik soms mijn mond niet stilhouden, maar als er een groter publiek naar mij luistert, dan zit ik met een mond vol tanden. Ik raak gefrustreerd, doordat ik denk dat ik mezelf meteen belachelijk maak, als ik begin te praten. Niet omdat ik stomme dingen zal zeggen, maar omdat ik zo’n vreselijk sterk accent heb. Soms heb ik het gevoel dat iedereen naar mij kijkt, omdat ik anders praat dan zij. En dat vind ik niet prettig, ik houd er niet van in het centrum van de belangstelling te staan. Maar met verdere dingen help ik graag mee, en ik doe ook, als het nodig is, extra dingen ter compensatie. Echter, als ik gedwongen word om te praten, dan lukt het me wel, maar uit mezelf durf ik het nog niet te doen. En Thomas Poell gaf aan tijdens het college, dat hij niemand wou dwingen, want het kan – volgens zijn ervaring – meer negatieve dan positieve effecten hebben.
In de eerste week heb ik deze dingen opgeschreven met betrekking tot groundrules:
Ground Rules samenvattend:
· Wees goed voorbereid
· Goede communicatieve skills zijn noodzakelijk!!!
· Probeer retorisch te zijn
· Blijf bij het onderwerp
· Wees nooit te stekelig/spitsgebekt
· Voeg alleen maar relevante informatie toe
· Gebruik goede bronnen
· Probeer indien mogelijk het debat te sturen
· Wees zelfverzekerd
· Beantwoord de vragen van de tegenpartij
Achteraf blijkt mijn lijst een lijst van ‘Goed presenteren’ te zijn. Dit zou ik met een paar dingen nog aan willen vullen:
· voorbeelden helpen bij de illustratie van je argumenten
· je moet goed op de tijd letten
· stel geen vragen aan de tegenpartij, hiermee geef je hun de kans om met hun argumenten naar voren te komen
· aantekeningen maken en samenvattingen helpen om aan te geven dat je hebt geluisterd en vormen een goede basis voor je argumentatie
· als je het ergens mee eens bent, mag je dit duidelijk aangeven aan het begin van je betoog. Daarna mag je een punt maken over dingen waar je niet mee eens bent
Met betrekking tot de Grond regels van Thomas Poell, wil ik de volgende punten maken. Uit de 10 regels blijkt, dat er 5 van staan om aan te duiden wat de rol en taak van de voorzitter is:
1. De voorzitter dient neutraal te zijn, wat wil zeggen dat de voorzitter zelf niet deelneemt aan het debat.
2. De voorzitter dient de verschillende deelnemers in het debat de mogelijkheid te geven om hun bijdrage te leveren. Dit betekent dat de voorzitter goed bijhoudt wie wil spreken en langdradige en overbodige bijdragen afkapt.
3. De voorzitter moet ervoor zorgen dat de deelnemers aan het debat de oorspronkelijke vraag of stelling goed in de gaten houden. Dit betekent dat de voorzitter ingrijpt wanneer de discussie een totaal andere richting opgaat.
4. De voorzitter dient de voortgang van de discussie te bevorderen door in te grijpen wanneer de discussie vastloopt en de deelnemers aan het debat hun standpunt blijven herhalen. Dit kan de voorzitter doen door kort het meningsverschil uiteen te zetten en een voorstel te doen voor verdere discussie.
5. De voorzitter zorgt dat het debat levendig is, maar niet uit de hand loopt. Dit kan de voorzitter doen door provocerende vragen te stellen wanneer het debat vastloopt, of de deelnemers tot rust te manen wanneer de gemoederen te verhit raken. Een korte samenvatting van de naar voren gebrachte argumenten kan verhelderend werken.
De rol van de voorzitter is heel belangrijk. Toch hebben wij in de loop van de cursus weinig aandacht aan deze rol besteden. Iedereen was eigenlijk meer bezig met het goed debatteren, waardor de rol en taak van de voorzitter op de achtergrond bleven. Ik heb nooit voorgezeten, dus ik kan alleen maar mijn opmerkingen opschrijven. Regel 1 is min of meer nageleefd. Hoewel een paar keer de voorzitters niet helemaal neutraal bleven, in het algemeen kunnen we zeggen, dat het goed is gegaan. Regels 2 en 3 zijn wat minder goed gegaan. Soms hadden de voorzitters niet aan de gaten wat er aan de hand was, en lieten het debat doorlopen in een andere richting. Als het debat toch terugging naar de oorspronkelijke vraag , was dit te danken aan één of meerdere dominante personen binnen een groep, en niet aan de voorzitters. Regel 4 is redelijk goed gegaan, meerdere keren werd door de voorzitter opgemerkt, dat het debat vastliep, of er alsmaar herhalingen kwamen. In vele gevallen greep de voorzitter goed in. Regel 5 is ook goed gegaan tijdens de werkcolleges, maar voor mijn gevoel tijdens het grote debat minder. Sommige groepen gingen wat heftiger tegen elkaar tekeer. De voorzitters probeerden in te grijpen, maar in de eerste paar seconden had het ingrijpen geen effect. Daarna wel, en liep het debat rustig af. Dit waren de punten waarop ik tot slot graag wilde reageren.
zondag 2 november 2008
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)
Geen opmerkingen:
Een reactie posten